Mijn vriend Shinran

Karma laat zich niet uitvlekken;
kwaad hoort bij de Weg.

Shinran, mijn vriend,
mijn grote, grote vriend!

Ik zit even vol met derrie
als jij.
Ik ben even onwaardig,
als jij.
Ik ben even onmachtig
als jij.

Bevrijding. Het ligt zo ver
voorbij de horizon.

Zie de mensen die het
zichzelf toerekenen.
Zie de mensen die het
hopen te verwerkelijken,
hier, nu.

Maar karma laat zich niet uitvlekken;
kwaad hoort bij de Weg.

Je derrie, je onmacht,
je onwaardigheid
beleven en erkennen;
je toevertrouwen,
waarlijk toevertrouwen,
aan de Anderkracht,
Amida’s mededogen;
mijn grote, grote vriend,
wat ben ik je dankbaar
voor je scherpe zelfinzicht,
voor je niet aflatende blik
op het onvermogen
onszelf te bevrijden.

Ik murmel,
ik neurie,
ik zing
de nembutsu.

Bij licht,
bij donker.

In bed.
Op straat.
Op de WC.

In vreugde,
in vertwijfeling.

Namu Amida Butsu!
Namu Amida Butsu!
Namu.
Amida.
Butsu.