Voortschrijdend inzicht

In een lieflijk, glooiend landschap torent het witgepleisterde huis boven de omringende bossen uit. Gelegen aan de oever van de Dart, in het Zuid-Engelse graafschap Devon, geeft het een schitterend uitzicht over de meanderende rivier.

Ooit kreeg de boeddhistische schrijver Stephen Batchelor hier tijdelijk onderdak van het vermogende stel dat in de jaren zestig uit idealisme het landgoed kocht. Martine, zijn vrouw, maakte er de toiletten schoon om wat geld bij te verdienen. The Sharpham Estate, zoals het landgoed heet, wordt inmiddels bestuurd door een stichting waarin enkele van de erven waken over het behoud van de oorspronkelijke inspiratie. In het landhuis worden nu boeddhistische cursussen gegeven.

In een uithoek van het landgoed ligt The Barn, een retraitecentrum waar maximaal tien bezoekers zich een week lang kunnen terugtrekken. Ik kwam hier voor het eerst in november 2011.

Bij wijze van cadeau voor mijn vijftigste verjaardag, enkele maanden ervoor, had een vriend aangeboden me heen en terug te rijden. Zelf kwam hij er vaker. De formule leek hem te passen bij mijn conditie, beter bijvoorbeeld dan die van Plum Village, de leefgemeenschap van Thich Nhat Hanh in Zuid-Frankrijk. Daar lig je op een slaapzaal en zijn de voorzieningen primitief. Bij The Barn heb je een eenvoudige slaapkamer voor jezelf en moderne, gemeenschappelijke badkamers.

Stilte van negen uur ’s avonds tot negen uur ’s ochtends, drie maal veertig minuten mediteren, een groepsgesprek ’s ochtends en tot het middaguur werken op het land, dat is het vaste patroon in het dagritme van The Barn. Het centrum behoort niet tot enige school binnen het boeddhisme, maar is een ontmoetingsplaats voor iedereen die tot bezinning wil komen, met of zonder meditatie-ervaring. Uit de wijde omgeving komen ’s avonds sprekers van allerlei richtingen vertellen over hun visie op het boeddhisme. Als hij in de buurt is komt Stephen Batchelor er zelf wel eens aanwippen.

Tijdens mijn week in The Barn was mijn leven zoals thuis. Veel rusten, geen werk, behalve dan de ochtendbel luiden en pap koken voor het ontbijt, als ik daartoe in staat was. Met een beetje geluk kon ik de meditaties en het groepsgesprek meemaken, al miste ik af en toe wel een sessie.

Mijn verblijf zal ik me vooral herinneren om de gesprekken die ik er voerde. Op een avond hield een docent uit de traditie van de inzichtmeditatie een voordracht. Aan haar kon ik een vraag stellen die me al een tijdje bezighield. Wanneer je in de Pali Canon de oudste teksten leest die aan de Boeddha worden toegeschreven, dan gaat het regelmatig over verschillende meditatiestadia die je doorloopt. “Inderdaad,” zei zij, “dat zijn de zogeheten jhana’s.”

Weer wat geleerd. Binnen de zenwereld gelden inzichten uit de oudere tradities algauw als ‘scholastisch’. Al te verfijnd en onnut: overtollige ballast en hinderpalen op het pad naar zelfrealisatie.

Intuïtief, zo vervolgde ik mijn dialoog met de spreker, herken ik die stapsgewijze ontwikkeling tijdens het mediteren, al is het zeker geen rechte lijn en kom je de ene keer ‘verder’ dan de ander. Soms kom je zelfs helemaal nergens. Dan lijkt het kanaal gesloten, de verbinding dood. Mijn probleem, legde ik uit, is dat ik niet weet hoe ik mij de jhana-ervaring moet voorstellen in relatie tot de zenweg waarbinnen de nadruk immers ligt op de ‘rechtstreekse toegang tot de geest’. Ik heb sowieso vaak moeite te bevatten hoe de ‘wijsheid voorbij alle wijsheid’ kan samengaan met waarnemen en interpreteren. Is er dan weten binnen het niet-weten? Is er weten onderweg naar niet-weten?

“Ik kan geen uitspraken doen over zen,” antwoordde de docent. “Je zult hierin zelf je weg moeten vinden met behulp van anderen binnen die traditie. Maar volgens mij is er binnen meditatie wel degelijk ruimte voor onderzoek en reflectie, dus ja, in zekere zin is er inderdaad weten binnen het niet-weten.”

Eén zo’n vingerwijzing maakt het waard om 850 kilometer te reizen, ook al zal ik het niet snel opnieuw doen. De reis bleek toch te vermoeiend en ik heb in mijn staat liever mijn vertrouwde voorzieningen thuis om me heen.

Hoe relatief misschien ook, zo’n uitspraak geeft je weer een zetje. Met een van de twee begeleiders van de retraite sprak ik naderhand verder over mijn vraag. Uit zijn persoonlijke bibliotheekje diepte hij voor mij een dun boekje op, getiteld The Progress of Insight. A Treatise on Sathipatthana Meditation, door Mahasi Sayadaw (1904-1982).

De auteur was vijftig, zestig jaar geleden een meditatieleraar in een therevadaklooster in Burma en schreef het boekje als een handleiding voor andere meditatieleraren binnen zijn orde. Het was niet bedoeld voor publicatie; pas later is het alsnog in de openbaarheid verschenen. Je kunt het nu gewoon via het internet bestellen.

Niet alles van het boekje begrijp ik. Voor een deel is het een landkaart van voor mij onbekend gebied. Maar het beschrijft ook ervaringen die ik herken, ook al heb ik ze misschien maar een enkele keer in het voorbijgaan meegemaakt.

Het doet me denken aan iets wat Karl Jaspers (1883-1969), de Duitse filosoof, schreef in zijn boek Socrates, Boeddha, Confucius, Jezus: eigen aan de boeddhaweg is dat je op het moment zelf nooit weet waar je bent, op zijn best kun je alleen retrospectief je ontwikkeling enigszins duiden.

Ik weet niet of de zentraditie de jhana’s erkent. Wat ik erover kan vinden wijst in de richting van een zekere ambivalentie. En misschien behoort binnen zen de wetenschap van zulke zaken wel tot de geheimen van het vak die meditatieleraren het liefst onuitgesproken laten terwijl zij beoefenaars aansporen de rechtstreekse weg naar zelfinzicht te vinden.

Rechtstreeks inzicht kan snel komen of lang duren, zegt Huineng (638-713), de Chinese leraar uit de beginperiode van zen, in zijn beroemde Platform Sutra. Dit suggereert dat er vanuit het perspectief van minder snelle leerlingen een hele ploeterweg te gaan kan zijn. Mijn vraag gaat niet over de ontwikkelingsweg als zodanig; logisch dat deze er is. Nee, mijn vraag gaat erover of er zich op het pad patronen en markeringen voordoen die je intersubjectief kunt delen.

Als je verschillende werken van Shenyeng (1930-2009) en andere moderne zenmeesters ter harte neemt, dan lees je daar tussen de regels door ook dat zij de één een verder gevorderd inzicht toedichten dan de ander. Mogelijk wordt de terughoudende opstelling van meditatieleraren erdoor verklaard dat het beoordelen van voorschrijdend inzicht een persoonlijke relatie vereist. Het is niet iets voor een zelfhulpboek met individueel meetbare ijkpunten. Reden dus om voorzichtig om te gaan met Sayadaw’s Progress of Insight.

Nooit weten waar je bent. Weten binnen niet-weten. Het blijven intrigerende vragen. Waarschijnlijk is The Barn zo’n vruchtbare grond voor het verkennen van zulke vragen omdat in de omgeving hiervan de voorwaarden bestaan voor echte communicatie ‘van hart tot hart’ tussen de zoekenden die elkaar daar onderweg ontmoeten.

Anderzijds: adem in en je bent thuis, zegt Thich Nhat Hanh. Zo rechtstreeks kan de weg naar zelfinzicht zijn als het kanaal open is. Op deze wijze bezien is mijn gevraag ‘much ado about nothing’. Of toch niet? Of toch wel? Wie stelt de vraag? Of, zoals de koan zegt: Wat is dit?