Dood aan de Boeddha

Geen boek heeft me de afgelopen dertig jaar voor zulke knagende existentiële vragen geplaatst als Stephen Batchelor’s Confession of a Buddist Atheist uit 2010.

Een vriend gaf het mij voor mijn vijftigste verjaardag, vorig jaar augustus.

Batchelor kende ik als de auteur van Buddhism without Beliefs, een klein meesterwerkje uit 1997. De uitdaging is om in jouw concrete situatie, oog in oog met de eindigheid van je leven, voor jezelf een boeddhaweg te vinden, betoogt hij hierin. Boeddhistische tradities zijn hierbij eerder hinderpaal dan houvast.

Vanwege deze stellingname heeft Buddhism without Beliefs het nodige stof doen opwaaien. Batchelor beschrijft klassieke leerstukken als karma en reïncarnatie als historisch gedateerd geloofsgoed dat hij als boeddhistisch agnost niet kan overnemen. Dit was en is tegen het zere been van menig traditionalist. Volgens sommigen plaatst Batchelor zich hiermee zelfs buiten de orde van ‘het’ boeddhisme.

Aloude vragen. Zou de Boeddha in de tegenwoordige tijd zelf een boeddhist zijn geworden en Jezus een christen? Max Weber, de Duitse socioloog, schreef in de eerste helft van de vorige eeuw in een beroemde analyse van de bronnen van macht en gezag dat na het leven van een charismatische leider altijd een periode aanbreekt waarin de oorspronkelijke inspiratie ten prooi valt aan institutionalisering en traditie.

De vraag is of boeddhisten en christenen in onze eigen tijd een nieuwe Boeddha of een nieuwe Jezus wel zouden herkennen en erkennen. In zekere zin valt Batchelor hetzelfde lot ten deel als enkele decennia terug de rooms-katholieke theoloog Edward Schillebeeckx. Deze mocht zich bij de Vaticaanse orthodoxie komen verantwoorden voor zijn boek Jezus: het verhaal van een levende (1974). Mutatis mutandis vertoont de strekking daarvan parallellen met Buddhism without Beliefs.

Als je zoals ik beïnvloed bent door de levensbenadering van het zenboeddhisme, dan zul je gemiddeld genomen waarschijnlijk opener staan tegenover de ideeën van Stephen Batchelor. Zen cultiveert consequent het charisma en probeert al vijftienhonderd jaar lang weg te blijven uit iedere vorm van institutionalisering, ook al heeft het ten gevolge van de werking van de menselijke natuur zijn eigen tradities, bijgeloof en dor hout dat op gezette tijden gekapt moet worden.

“Niets heiligs,” sprak Bodhidharma, volgens een kwestieuze overlevering de monnik die rond 500 na Christus het zenboeddhisme van India naar China bracht. En aan Linji, een meester uit de eerste eeuwen van de zentraditie in China, wordt het gezegde toegeschreven: “Als je een Boeddha tegenkomt, dood hem dan.” Dood aan de Boeddha, maar niet in letterlijke zin. Je voorstelling kan in de weg staan van de ervaring waar het om gaat – dat wordt bedoeld. Het is dezelfde reden waarom bijvoorbeeld ook het Oude Testament het verbiedt om afbeeldingen te maken van Jahweh.

Aan Confession of a Buddhist Atheist begon ik vol verwachting. In het boek verweeft Batchelor het verhaal van zijn eigen leven met dat van ‘de’ Boeddha. Met de wetenschap van zijn ontwikkelingsproces tot nu traceert hij de vroegste zaden van zijn twijfel al terug in de tijd tot het moment dat hij als beginnend monnik in een Tibetaanse traditie in India getuige was van een ritueel van een lama om natuurverschijnselen te bezweren.

Zijn leermeesters blijken fraaie formules te hebben en een onbegrensd vertrouwen dat hun Tibetaanse boeddhisme antwoord geeft op alles. Hun gezag begint voor hem echter af te brokkelen wanneer ze niet overtuigend kunnen of willen ingaan op Batchelor’s actuele vragen, gevoed door zijn diepgaande studie van westerse waarden in het algemeen en die van het existentialisme in het bijzonder. Naderhand zou hij uit de orde treden.

In veel opzichten is het een prachtig boek, al is het maar om de onconventionele reconstructie die Batchelor maakt van het leven van de Boeddha. Hij bevraagt de bronnen op een originele manier en niet vanuit de religieuze projectie anno nu die de Boeddha volgens een zich tot vervelens toe herhalend patroon een heldenepos toedicht. Volgens Batchelor was het in werkelijkheid een man die soms bedenkelijke compromissen sloot met wereldlijke machten om zelf het vege lijf te redden en zijn geestelijke erfenis veilig te stellen voor latere generaties.

Naarmate ik vorderde in het boek bekroop mij steeds meer een gevoel van deceptie. De Batchelor van Buddhism without Beliefs lijkt je een zetje te geven om het verwarrende proces in te gaan dat kan uitmonden in realisatie van wat ik maar noem: je oorspronkelijke gelaat. Als je Confession of a Buddhist Atheist echter leest, dan ga je je afvragen of hij eigenlijk wel ooit een staat bereikt heeft waarin de geest zich over hem heeft uitgestort, al was het maar even, voor een heel kort, voorbijgaand moment. Dit was voor mij een grote teleurstelling.

Maar waarom eigenlijk een teleurstelling? Piekerend, pratend met de enkeling die zich in mijn gevoel kan verplaatsen, verschoof mijn teleurstelling in de richting van twijfel aan mezelf. Zouden de Batchelor van Buddhism without Beliefs en die van Confession of a Buddhist Atheist in feite niet een en dezelfde zijn? Is mijn voorstelling van de geest die zich uitstort niet evenzeer een uitdrukking van een door hoop gevoede projectie die Batchelor’s existentiële toets der kritiek niet kan doorstaan? Met andere woorden: ‘Does he get it because he doesn’t get it?’

Maandenlang hebben deze vragen mij nu beziggehouden en het eind is nog niet in zicht. Nu eens ga ik de ene kant uit, dan weer de andere. Het is voor mij een levensechte koan geworden die, zoals dat gaat, als een steen op mijn maag ligt totdat er vanuit onverwachte hoek nieuw inzicht doorbreekt en het subject dat deze twijfel kent, zich oplost in harmonie met de Tao. Wat een klasse dat een boek je zo kan raken!

Batchelor’s positiebepaling doet me denken aan een ander meesterwerkje, Hermann Hesse’s roman Siddharta. Ook daarin gaat de hoofdpersoon zijn eigen, individuele weg. Het boek speelt in de tijd van de historische Boeddha en het is louter toeval dat de hoofdpersoon een naam met hem deelt. Tijdens hun spirituele zoektocht ontmoeten Siddharta en zijn metgezel de Boeddha in hoogsteigen persoon. Zijn vriend treedt toe tot diens sangha, maar Siddharta gaat zijns weegs, voort op het pad naar bevrijding op zijn termen.

Hermann Hesse is in mijn studententijd, dertig jaar terug, de laatste moderne auteur geweest die met een boek zulke diepe lagen van existentiële twijfel wist aan te boren als Stephen Batchelor nu. Dat was niet met Siddharta, maar met De steppewolf. Ik las het samen met een vriend en we waren er geruime tijd kapot van, evenals enkele anderen in onze kring die het op hun beurt weer lazen.

Zo’n mentale rollercoaster, zo’n ontmaskering van de veilige waarheden van alledag. Voor ons was het zaadje van ontwaken gezaaid, al vindt Harry Haller, de centrale figuur, zijn bevrijding niet in ‘verlichting’ (wat dat ook moge zijn), maar in de absolute schoonheid van kunst en muziek en andere ‘eeuwige ideeën’ van Plato. Dit voor zover er een betrouwbare conclusie is te verbinden aan dit knotsgekke boek met vele losse eindjes en dito mogelijkheden tot interpretatie. Maar het herinnert ons aan een stelling van Roberto Assagioli, de vader van de psychosynthese, dat er verschillende verlichtingswegen zijn die naar Rome leiden.

Opeens zie ik Bodhidharma voor me, nu niet zoals in de legende in gesprek met de Chinese keizer, maar met Tenzin Gyatso en Joseph Ratzinger: Zijne Heiligheid Dalai Lama XIV en Zijne Heiligheid paus Benedictus XVI. “Niets heiligs,” mompelt Bodhidharma in zijn baard. Hij buigt diep, keert zich om en lost zich op in de wijsheid voorbij alle wijsheid.